Je brein houdt je voor de gek: dit is waarom je slechte keuzes tóch goedpraat
Je kent dat gevoel vast. Je ligt naast iemand van wie je eigenlijk allang weet dat het niks wordt, en toch bedenk je weer een reden waarom het misschien toch wel goed kan komen. Of je scrolt voor de derde keer die week door een website vol goedkope kleding, terwijl je jezelf iemand vindt die bewust omgaat met de planeet. Herkenbaar? We doen dit allemaal. En we doen het niet omdat we zwak zijn of oneerlijk, maar omdat ons brein iets héél specifieks probeert te doen.
Hoe werkt cognitieve dissonantie?
Psycholoog Leon Festinger gaf dit bijzondere verschijnsel een naam: cognitieve dissonantie. Wat het betekent, is eigenlijk vrij simpel: als onze gedachten, overtuigingen of waarden niet overeenkomen met wat we doen, ontstaat er een onaangenaam gevoel van innerlijke spanning. En dat gevoel is zo onprettig dat we er bijna alles aan doen om er zo snel mogelijk van af te komen. Het probleem is alleen dat we dat bijna nooit doen door ons gedrag te veranderen. We doen het door onze gedachten aan te passen en verzinnen dan een reden. Daarmee relativeren we het en praten we het dus eigenlijk goed. Aha!
Hoe je brein tegen je liegt én waarom je het gelooft
Festinger illustreerde zijn theorie met het voorbeeld van een roker. Iemand weet dat roken slecht is, maar rookt toch. Die twee dingen kunnen in het hoofd eigenlijk niet naast elkaar bestaan. Je kunt stoppen met roken, en daarmee het gedrag aanpassen aan de overtuiging. Maar je kunt ook beginnen te denken dat die onderzoeken overdreven zijn. Of dat stress veel erger is dan sigaretten, of dat je opa ook rookte en negentig werd. Dan past de overtuiging zich aan het gedrag aan! En dat tweede pad is het makkelijkst. Niet omdat je dom bent, maar omdat je brein nu eenmaal zo werkt…
Vijf jaar later nog steeds dezelfde smoesjes
Wat Festinger ook ontdekte, is dat de spanning groter wordt naarmate de tegenstrijdigheid groter is. Een koekje eten terwijl je gezond probeert te leven, kost je weinig moeite om goed te praten. Maar jaren blijven in een relatie die je ongelukkig maakt, terwijl je jezelf iemand vindt die haar eigen geluk serieus neemt? Dat vraagt elke dag opnieuw energie. Elke dag moet je brein iets nieuws verzinnen. En dat zoemen op de achtergrond, dat constante gevoel dat er iets niet klopt, maar je niet precies weet wat, dat is wat cognitieve dissonantie aanvoelt als je er al heel lang mee rondloopt.
Het begint allemaal met dat éne woordje
Zodra je weet hoe dit mechanisme werkt, begin je het overal te zien. In jezelf, maar ook in mensen om je heen! Je begint te merken wanneer je een ‘maar’ gebruikt. Niet als nuancering, maar als sluiting van een deur die je eigenlijk open wil houden. Je merkt het verschil tussen een reden en een excuus. En dat verschil, hoe subtiel ook, is precies waar groei zit.
Dat betekent niet dat je altijd je gedrag moet veranderen! Soms is een beetje zelfrechtvaardiging gezond. Het helpt ons verder na fouten; het beschermt ons zelfvertrouwen op momenten dat we dat nodig hebben. Maar het wordt gevaarlijk als het een gewoonte wordt. Als je zo goed bent geworden in het goedpraten van dingen, dat je jezelf de echte vraag niet meer stelt: wil ik dit eigenlijk wel?
Stiekem wist je het al
Festinger ontdekte bijna zeventig jaar geleden al dat we het liefst consistent willen zijn, en dat we daarvoor soms de wereld een klein beetje anders zien dan hij is. De kunst zit er niet in om dat compleet uit te bannen, want dat lukt toch niet. De kunst zit erin om af en toe te pauzeren bij dat onrustige gevoel, in plaats van het meteen weg te denken. Want soms vertelt dat gevoel je iets wat het waard is om naar te luisteren. Lees ook: Altijd maar ‘ja’ zeggen? Waar komt people pleasing eigenlijk vandaan?
Bron: Festinger, L. (1957). A Theory of Cognitive Dissonance