Kort verhaal: Liefdesverdriet

Lifestyle door Redactie

Pijn. Het enige wat ik voelde was pijn. Een akelig gevoel dat nog het beste te beschrijven valt als kippenvel dat niet weg wil gaan. Alsof iemand je blijft irriteren, aan alle kanten. Het ergste was nog het onwetende gevoel van binnen. Die vlinders die daar rondfladderden en steeds weer tegen een muur aanvlogen. Een muur van mijn geweten. Ik wil hem, alleen hem. Hij lacht mijn pijn weg, geeft me nieuwe energie.

Maar steeds als het er op aankomt is hij degene met het mes en met het draadje dat vast hangt aan mijn gevoelens. Hij speelt ermee zoals een kat met een pasgevangen muis speelt. Toch, toch weet hij hoe ik me voel. Ik heb het hem verteld. Maar op dat allesbeslissende moment sneed hij het touwtje door. Ik viel en bleef vallen. Een eindeloze diepte. Tot ik beneden was. Tenminste, dat dacht ik.

Ik was niet beneden, ik was aan het einde van het touwtje. Het touwtje dat hij vasthield en stevig bij zich hield. Ik probeerde omhoog te kruipen. Tevergeefs. Steeds als ik er bijna was, als ik bijna zijn hand kon aanraken, als zijn bruine ogen zich aan de mijne vastketende, dan liet hij me weer vallen. Ik vraag me af hoe lang dit zo door kon gaan. Lang, waarschijnlijk. Als ik denk dat dit het einde is, gebeurt er iets.

Hoop. Diep in mij zit hoop. Een energie waarvan ik niet wist dat ik het in me had. Het heeft daar al die tijd gezeten, wachtend op een allesbeslissend moment. Een moment als deze, wanneer je leven aan een touwtje hangt. Het wil niet weggaan. De vlinders ontwaken. Ze weten wat ik niet weet: dat het leven doorgaat. Ze ontwikkelen zich, het worden er steeds meer. Nieuwe poppen worden nieuwe vlinders.


bron

Het proces blijft doorgaan. Wat voor mijn gevoel de laatste keer wordt, kruip ik omhoog. Mijn vingers ontklemmen het touwtje en trekken zich stukje bij beetje omhoog. Ik zie nu pas dat het touwtje geen touwtje is, maar een aaneenschakeling van mijn gedachten. Op de plekken waar mijn gedachten zich positief uiten is het touw dik en kan ik makkelijk verder komen. Op andere is het touw zo iel dat het steeds bijna uit mijn vingers glipt.

De laatste meters komen in zicht. Zo moet het zijn voor topsporters, bijna bij de finish, je kan het glanzende metaal van de beker al bijna ruiken. Maar dan krijg je een trap in je zij en weet je dat het einde er nog niet is. Ik ben bijna boven. Hij zit daar, stil, op de rand. Wachtend. Op wie eigenlijk?

Dan ontmoeten zijn ogen de mijne. Even houdt de tijd op en zakt de pijn weg. Ik wil praten maar er komt geen geluid uit. Zo snel als die blik er was is hij ook weer verdwenen. Ik besluit dat het voor vandaag geen zin meer heeft. Ik probeer de rust in mezelf te hervinden en sluit mijn ogen. Beelden schieten voor me langs, beelden van hem. Langzaam keer ik in een rustige slaap. Een rust waarvan ik weet dat die nooit lang kan duren. Maar toch. Ik wacht. Ik wacht op morgen. Omdat morgen een nieuwe dag is. Een dag waarop hij kan zeggen dat hij van me houdt.

Door T.