Lifestyle

Kort verhaal: Opgegeven

Toen ik mijn ogen opendeed, keek ik naar een donker plafond. De gordijnen lieten geen licht naar binnen stromen. Ik tilde mijn hoofd op en probeerde overeind te komen. Met veel pijn en moeite ging ik op de rand van mijn bed zitten. Mijn blote voeten raakten de koude vloer, een rilling gleed over mijn rug. Er werd op de deur geklopt. Het geluid was veel te hard voor mijn oren. Er schoot een pijnscheut door mijn hoofd en kneep mijn ogen dicht. Ik hoorde iemand binnenkomen.

'Je medicijnen.' Er werd een dienblad op tafel gezet. Een bekertje medicijnen en een glas water. Ik wist het al precies. De vrouw bleef in mijn kamer staan tot ik de medicijnen had doorgeslikt. ‘Neem ze maar weer mee terug. Ik hoef ze niet.’ Mijn stem klonk schor. Gek, want ik praatte eigenlijk nooit. Of zou het komen door juist niet te praten? ‘Neem je je medicijnen even in?’ Haar stem klonk geïrriteerd en ik hoorde dat ze naar me toeliep. Bekertje medicijnen in haar ene hand en het glas water in haar andere hand.


Bron

'Ik hoef ze niet!' schreeuwde ik opeens en sloeg haar handen weg. Het glas water kletterde op de harde vloer en het water spetterde tegen mijn voeten. De medicijnen rolden alle kanten op. Vlak daarna klonk er een sirene door het gebouw. Het geluid ging door merg en been. Ik sprong op en wilde vluchten. Weg van hier. Weg van de medicijnen. Weg van de sirenes. Bij de deur werd ik vastgegrepen door twee mannen. ‘Laat me los!’ ik spartelde wild, ‘laat me los!’ Ik voelde mijn gezicht rood worden en ik was bang dat het uit elkaar zou knappen.


Bron

Ik werd wakker in een klein kamertje. Zachte kussens tegen de muur en in de deur zat een klein raampje. Ik probeerde me te herinneren wat er was gebeurd. Het leek alsof mijn hersens niet meer werkten. Alsof ik was uitgeschakeld, gescheiden van mijn gevoelens en gedachten. Er knarste een sleutel in het slot en er kwam iemand binnen. ‘Ben je weer rustig?' 'Hoe lang lig ik hier al?’ ‘Twee dagen. Ik vroeg of je weer rustig bent.’ 'Ik knikte – twee dagen? Waar ben ik al die tijd geweest?' Ik liet mij overeind trekken en liep gewillig mee naar waar de man mij bracht. Hij duwde mij een donkere gang in en bleef achter mij lopen. Aan het eind van de gang zag ik nooddeuren – nooddeuren waren altijd open. Ik haalde diep adem en begon te rennen. Ver weg van iedereen die zich met mij bemoeide. Ver weg van vieze medicijnen. Ver weg van mezelf. De deuren gaven mee en vlogen open. De straatstenen voelden ijskoud aan mijn voeten, alsof er iemand met vlijmscherpe messen in de zolen van mijn voeten sneed. Achter me hoorde ik de man schreeuwen. Hij kwam niet achter me aan. Ik voelde dat hij bleef staan. Hij had opgegeven en nu was het mijn beurt.

Door Maaike 

Pin je inspiratie in Pinbook