Lifestyle

Kort verhaal: Luna

Met mijn maag vol woede stampte ik de trap op. Alles deed pijn: mijn linkeroor, mijn wang, mijn voeten en zelfs mijn keel. Ik stormde furieus mijn kamer in, gooide de deur dicht en deed hem op slot. Mijn lange rossige haar dat bijna tot mijn billen kwam, stak ik op in een wilde knot. Het was muffig en donker op mijn kamer dus ik gooide het raam wagenwijd open. De avondse en afgekoelde zomerlucht kalmeerde me.

Ik snoof de heldere lucht in en sloot mijn ogen. Ik voelde mijn oor en wang dreigend kloppen alsof ze schreeuwden om koelte. Mijn voet stak en mijn keel voelde kurkdroog. De maan kwam achter de wolken uit en toen ik mijn ogen opende om te zien hoe de zilveren lichtstralen van de maan mijn armen en middel kusten, zag ik dat het volle maan was. Ik zuchtte en ging in het raamkozijn zitten met mijn gewonde voet uit het raam bungelend, zodat er een straaltje bloed naar beneden stroomde, mijn teen bereikte en er langzaam een dieprode druppel bloed vanaf druppelde.
Ik dacht aan hoe dronken we vannacht waren, of liever gezegd vanmorgen. Ik wist niet meer wat ik deed. Vage beelden sijpelden af en toe vaagjes door. Ik in een tattoo shop, ik in een pierce shop, ik rennend door de schemerende straten op blote voeten om zo snel mogelijk naar huis te gaan met de gedachte dat mijn vader het misschien vergeten zou zijn dat hij het streng verboden had om ook maar één voet binnen te zetten bij zo’n tattoo of pierce shop om daar te doen waar die winkels voor bedoeld zijn. Twee verboden dingen op een avond en terwijl ik hijgend door de straten rende had ik vurig gehoopt dat hij het misschien niet eens gemerkt had dat ik de hele dag weggeweest was of het misschien deze keer door de vingers zou zien. Maar niets was minder waar.
Toen hij me hijgend en bezweet binnen had horen komen, kon hij zichzelf al niet meer beheersen. Zijn gezicht liep rood aan en zijn ogen puilden uit zijn hoofd van woede toen hij mijn bebloede voet zag en het glinsterende steentje in mijn oorschelp. Een adertje in zijn slaap klopte dreigend en hij perste zijn lippen op elkaar toen hij mijn haar ruw opzij trok zodat hij mijn oor beter kon zien. Ik dook in elkaar want ik wist dat hij elk moment ook de tattoo van een maantje in mijn nek kon zien. En dat gebeurde. Ik durfde hem niet aan te kijken, maar in mijn ooghoek zag ik dat zijn gezicht zo mogelijk nog roder werd. Ik wilde nog snel wegduiken, maar het was al te laat: zijn vlakke hand ketste met zo’n kracht tegen mijn wang dat ik op het stoffige tapijt in de gang viel die al het mogelijke vuil van het hele huis op zich had. Ik werd onaangenaam verrast door de krachtige vingers van de man die zich om het bovenste puntje – net boven mijn pas gezette piercing – van mijn oor sloten en mij omhoog trokken. Toen ik rechtop stond deed ik mijn ogen open die de hele tijd krampachtig gesloten waren van de pijn en keek recht in het rode, bezwete en dronken gezicht van mijn vader. ‘Jij stuk vuil! Je bent alleen maar schorem! Schorem dat zich de hele tijd alleen maar klem zuipt voor z’n lolletje.’ De spuugspetters vlogen rond mijn oren en ik probeerde mijn gezicht af te wenden, maar vaderfiguur gaf een stevige ruk aan mijn oor zodat ik tranen in mijn ogen kreeg van de pijn en ondertussen probeerde ik niet te veel op mijn gewonde voet te leunen, waar het bloed hevig uitstroomde. 


bron

‘Die vrienden van je zijn niks waard, nog minder dan jij! Zomaar doen wat ik je verboden heb –wie denk jij wel dat je bent!’ Beng! Voor de tweede keer kwam zijn hand vliegensvlug dichtbij en raakte mijn wang.
‘Je denkt dat je alles kunt doen wat je wilt, terwijl ik me ondertussen langzaam m'n eigen graf in werk. Alleen maar omdat ik zo nodig helemaal alleen voor JOU moet zorgen! Ik dacht het niet hoor, jongedame. Vanaf nu gaat alles veranderen, reken daar maar op!’ Hij leek op een losgebarsten zwijn als hij zo deed. Z’n rooie rotkop met het kleine plukje haar dat hij nog over had en het gekrijs dat uit zijn mond kwam, gemengd met een walm van alcohol. Ik voelde de angst wegebben en plaats maken voor woede; ik zette een stap achteruit – hij liet mijn oor meteen los – zodat hij me niet nog een keer kon raken met zijn vieze, ruwe handen.
‘Jij werkt niet eens! Het enige wat jij doet is thuis op de bank zitten als een zoutzak met een fles bier in je hand. De enige zuiplap hier ben jij! En weet je-‘ ‘En nou is het afgelopen! Naar de kamer! Voordat ik je weer een pak slaag verkoop. En ik verwacht je de komende dagen niet meer te zien, brutaal nest dat je bent,’ bulderde hij in mijn gezicht.
‘Dan ga ik toch helemaal weg? Mij een zorg! Ben ik tenminste verlost van dit ROThuis en van JOU!’ Ik stampvoette en klemde mijn kaken op elkaar door de stekende pijn in mijn voet.
De man die tegenover me stond – ik weiger hem papa te noemen – hief zijn arm op om me alweer een klap te verkopen, maar zijn hand miste op een haar na en dat maakte hem nog woedender. Niet uit zijn woorden komend van kwaadheid en met zijn rooie kop en uitpuilende ogen, wees hij met een strakke vinger naar de trap. Terwijl ik de trap op stormde hoorde ik hem nog voldaan mompelen, iets wat leek op: ‘Ha! Vandaag kan ze toch niet naar buiten door die rot maan.’

Zo is het dus gegaan. Ik stapte van de vensterbank af en deed het raam dicht en de gordijnen dicht want het was bijna twaalf uur. Terwijl ik in bed ging liggen en m’n ogen sloot bedacht ik me waarom ik niet zo wilde zijn. Waarom ik eigenlijk mijn ware gedaante niet wilde aannemen, accepteren. Makkelijk: want ik was er bang voor. Niet voor wat ik was maar voor het feit dát ik het was.
Piekerend opende ik mijn ogen en staarde naar het plafond. Maar aan de andere kant… Ik wilde hier niet langer blijven en ook al was hij mijn vader, zo voelde het niet. Ik wilde mijn echte familie leren kennen. Ik wilde naar huis. Ja, dat was wat ik diep in mijn hart echt wilde.
Vastbesloten stond ik op en liep naar het raam, en schoof de gordijnen open. Het raam was zorgvuldig afgedekt met zwart papier, zodat de zilveren stralen van de maan niet binnen konden dringen. Na een moment van twijfeling opende ik langzaam het raam en stapte naar achter. De stralen van het maanlicht streelden en kusten mijn armen, mijn gezicht, mijn middel, mijn benen en stopten bij de grond.
Alles om me heen leek te groeien. Mijn bed, mijn nachtkastje, mijn bureau, de muren en zelfs de maan. Alles groeide en groeide, mijn armen werden vleugels, mijn benen werden pootjes en ik voelde een snaveltje op de plaats waar eerst mijn mond en neus was. Nog geen seconde later zat op precies dezelfde plaats waar ik een moment geleden had gestaan, een zwaluw. Een kleine, prachtige zwaluw met rossige veertjes en felblauwe kraaloogjes. Ik spreidde mijn vleugels en vloog de warme, met maan verlichtte, lentenacht in. Alles leek perfect nu. En dat was het ook. Ik vloog steeds hoger en genoot van mijn vrijheid. Dit was hoe het hoorde: dit was mijn definitie van perfect. 

Door: Charlotte 

Laat je inspireren in Pinbook