Verhaal: Loverboy en ik 4

Blog door Anoniem Schrijvertje

Dit verhaal is niet echt gebeurt of op waarheden gebaseerd; het is een gedachtespinsel van mij over iets wat zou kunnen gebeuren. Hopelijk vinden jullie het wat, laat het me weten! 
Super bedankt voor al jullie lieve reacties, you made my day ♥

Dit is waarschijnlijk het domste wat ik ook deed. Waarom overdrijf ik altijd zo? Eerst gewoon hele dag van school weg blijven om Josh te zien en dan meteen wegrennen als hij even niet reageert als ik had verwacht. Er is misschien een goede verklaring voor. Misschien heeft hij ruzie met zijn best vriend, heeft hij wel een studie kunnen kiezen maar is hij nooit toegelaten of misschien heeft hij gewoon last van een jetlag - helaas is er alleen geen tijdsverschil in Malta en Nederland.
De wolken pakken dik samen en de mensen in de winkelstraat schieten snel wat winkels binnen. Sommige lopen dapper, maar haastig, door en andere wijzen naar de lucht alsof er iets bijzonders te gebeuren staat. Ook de wind begint langzaam aan te wakkeren en het lijkt wel alsof het ineens een paar graden kouder wordt. Ik sla een smal winkelstraatje in, eentje waar ik nooit alleen wil komen en loop rillend de leeglopende straat door. De winkels met de daarboven gelegen appartementen en studentenkamers, zowel aan mijn linker- als aan mij rechterzij, torenen hoog boven mij uit. Ze zijn opgebouwd uit grauwgrijs beton, wat hier en daar wat begint af te brokkelen. De meeste, zwarte dakpannen liggen scheef en er ontbreken er veel. Verf begint af te bladeren en de kozijn te rotten. Veel winkels staan leeg en een troosteloos gevoel trekt door mijn hele lichaam. Er zou hier zoveel meer bedrijvigheid moeten zijn! Ik staar nog eens omhoog, naar de donkere wolken die steeds donkerder worden. De gebouwen lijken zich naar elkaar toe te buigen en in een wazig moment zie ik ze overhellen en in elkaar vallen. Een duizelig gevoel laat mij even draaien en ik zoek naar houvast bij een vergeten, verroesten fiets. Wat gebeurt er toch met me?

Als ik de hoek omga voel ik de eerste druppels al op mijn neus en wang. Ik trek de kraag van mijn jas hoog op en hoop dat ik bij de bus ben voor de bui echt los barst. Met versnelde pas baan ik mij een weg door de verlaten straten.
Een lichtflits zet de wereld even in een helder wit licht. 'Nee, alsjeblieft geen onweer!' piep ik en merk dat ik aan het rennen ben. Regen, sneeuw, storm, hagel. Allemaal prima, maar geen onweer als ik buiten ben! Zenuwachtig tel ik tot het begin te rommelen. Het duurt even en het gerommel is betamelijk zacht en -gelukkig- is het onweer dus nog redelijk ver.
Mijn ademhaling is onrustig en mijn hart klopt in mijn keel. Angstig kijk ik om mij heen of er toevallig toch geen mensen die ik ken. Weet ik niemand hier in de buurt waar ik even kan schuilen? Ik kan toch niet zomaar bij mensen aanbellen en zeggen: 'hallo, ik ben zeventien en bang voor onweer, mag ik even schuilen?'. Daarbij komt dat ik dat nooit van mijn lang-zal-ze-leven -hoera-  niet ga durven. Het idee alleen al zorgt ervoor dat ik het bijna in mijn broek doe.
Ik maak een sprongetje van schrik bij de volgende flits en bijna meteen daarop volgt een vreselijk gedender, alsof er een trein volgeladen met stenen langs rijdt. Ik probeer nog harder te lopen, maar mijn longen branden en ik voel de energie in mijn lichaam wegsijpelen. Mijn benen worden zwaarder en in mijn hoofd voel ik mij steeds lichter worden.
Bij de volgende "voorbij denderende trein", barst de hemel open en komt er een stortvloed van water naar benen. Voor ik het weet ben ik doorweekt en om een of andere reden krijg ik zin om te huilen. Was ik nou maar gewoon bij Josh gebleven. Ik had niet mogen wegrennen. Dan zat ik nu veilig binnen, misschien wel schappen te vullen en lachten we samen om oude vrouwen die naar pakjes sigaretten vroegen.

De bushalte is op een jongen na, verlaten. Ik spring meteen in het hokje, maar veel nut heeft het niet meer. Het water is al door mijn jas en kleren heen getrokken en rillend van de kou -en angst- staar ik voor mij uit.
'Wat een weertje hier hé?' vraagt de jongen.
Ik knik, zonder enige lust om een gesprek aan te knopen. Ik laat mijn ogen even over de jongen glijden. Petje, dikke jas met bond kraag en grote oorbellen in de vorm van een haaientand. Die vent geeft mij nog meer rillingen dan ik al had en ik doe een stap van hem vandaan. Ik sta nu tegen het vuile glas aangedrukt en voel me steeds ongemakkelijker worden. Hij kijkt naar me, dat voel ik gewoon. Wanhopig probeer ik mijn ademhaling onder controle te krijgen, maar tevergeefs. De jongen komt op mij af lopen en ik voel hoe ik steeds meer de controle verlies.
'Kom je hier vaker, schatje?' vraag hij met een zwoele blik en plaats zijn ene hand vlak naast mijn gezicht tegen de ruit van de bushalte. Nonchalant leunt hij naar mij toe. Mijn hart begint zo hevig te kloppen dat hij zo meteen mijn borst uit sprint en de straat op springt. De jongen buigt zich naar mij toe, zijn gezicht komt steeds dichterbij en hij strijkt met zijn hand over mijn gezicht.
'Nee!' gil ik en duik onder zijn arm door.
'Dat is geen probleem, ik maak je hier wel beetje wegwijs. Waar wil je heen? Cafeetje, je favoriete kledingwinkel... mijn appartement?' Ik luister al niet meer en sprint de plenzende regen weer in.
'Hé! Kom eens terug, trut!'

Als ik nog een angstig blik achterom werp, zie ik tot mijn opluchting dat hij mij niet achterna komt. Hij staart me wel na, terwijl hij staat te telefoneren en driftig iemand iets duidelijk probeert te maken. Ik probeer nog harder te rennen, maar mijn lichaam wilt niet meer. De regen heeft mijn spieren door en door koud gemaakt en ik voel een verkoudheid opkomen.
Twee straten later, hoor ik mijn mobiel ineens rinkelen. Ik trek hem uit mijn broekzak. Hij is nat en ik ben bang dat hij het eind van zijn leven heeft bereikt. Maar het scherm licht op en hij gaat nog eens over. "Josh belt" komt in beeld te staan. Peinzend verminder ik mijn snelheid; opnemen of negeren? Een donderslag, geeft de doorslag. Opnemen.
'Hallo?' zeg ik zachtjes en voel nog steeds een brok in mijn keel.
'Tess? Hoi. Het spijt dat ik zo tegen je uitviel, ik wil het je graag uitleggen en hopelijk geef je me nog een tweede kans.'
'Hmm.'
Een dakgoot stroomt over, waarschijnlijk door een verstopte regenpijn en het water komt kletterend op de grond terecht. Hijgend loop ik wat verder om hem beter te verstaan, terwijl de verbinding ruist.
'Tess?'
'Ja ja,' mompel ik, niet goed wetend waarom.
'Tess, ben je buiten? In de regen?'
Ik zwijg. Een lange stilte volgt, op wat flitsen, gedonder en de eeuwig durende regen na. Ik maak een zacht, piepend geluid. Onweer heb ik altijd eng gevonden en het is een van die angsten uit mijn jeugd waar ik nooit overheen ben gekomen.
'Gaat het wel goed daar? Tess, waar ben je? Ik kom je nu halen!'
'Nee joh. Het gaat prima.' Ik haal mijn neus op en voel opkomende tranen. Beelden van de jongen flitsen door mijn hoofd. 'Ben gewoon... moe.'
'Wat ben jij een slechte leugenaar. En dat aan de telefoon! Kom op, waar ben je, dan kom ik je halen. Met dit weer hoor je niet buiten rond te dwalen.'
Met tegenstribbelende gevoelens, geef ik door waar ik ben en hij belooft dat hij er meteen aankomt.
'En je werk dan?'
'Komt wel goed, maak je geen zorgen. Ik kom eraan,' zegt hij geruststellend en met een dankbaar gevoel hang ik op. Hij komt me halen!

Nog geen tien minuten later zit ik bij Josh in de auto. Het ruikt een beetje muffig, met een vleugje pepermunt, maar dat komt waarschijnlijk door zijn kauwgum. Hij heeft een deken om mij heen geslagen en ik voel me al iets rustiger worden. In zijn warme auto voel ik mij een stuk veiliger en het heeft iets vertrouwds.
'Waarom loop je nou zo rond te dwalen met dit weer?' vraag hij als hij naast mij me komt zitten en de auto start. Ik haal mijn schouders op. Ik heb geen zin om te vertellen dat ik bang ben en wat er bij de bushalte is gebeurt. Ik wend mijn blik van hem af en staar naar buiten. Ik schop mijn schoenen uit en trek mijn benen in. Bij de eerste volgende flits duik ik in elkaar.

'Ben je bang voor het onweer?' vraagt Josh. Er klinkt geen enkele spot of minachting door in zijn stem, eerder begrip en bezorgdheid. Ik kijk hem even aan en hij lacht vriendelijk. Aarzelend knik ik.
'Daar heb je geen reden toe. Je zit hier volkomen veilig en ik zal je netjes voor school afzetten, waar je ook helemaal veilig bent. Als het je gerust stelt, loop ik ook wel met je mee naar binnen.'
'Nee!' protesteer ik meteen heftig en schrik van mijn eigen stem.
Josh lacht. 'Goed dan loop ik niet mee, vind ik ook prima.'
'Dat bedoel ik niet, sorry. Het is heel lief, maar ik wil graag gewoon naar huis.'
Josh knikt en draait de snelweg op. Ik vertel hem de precieze route naar mijn huis en begin mij langzaam weer op mijn gemak te voelen. De angst zakt een beetje en een warm gevoel tintelt vanbinnen.

Josh schraapt zijn keel. 'Aan de telefoon klonk je nogal overstuur. Alsof je er niet helemaal bij was met je hoofd. Zit je ergens mee, als ik dat vragen mag tenminste.'
'Er is niets,' lieg ik en huiver.
Josh werpt me een veelzeggende blik toe. In plaats van hem nog langer aan te kijken, staar ik strak vooruit en overweeg ik bij mezelf wat ik moet doen. Eigenlijk is er geen reden om niets te zeggen; hij is toch te vertrouwen? En misschien kan ik het meer een plekje geven als ik erover praat. Ilona wil ik het niet vertellen, Ron is te druk met zijn Limburgse-vlaaien-eter, Romy en Elise hebben vandaag hun jubileum en Babette zit (school)ziek thuis. We nadere een benzinepomp en ik heb mezelf ervan overtuigt om het hem toch te vertellen.
'Ik vertel het, als je even stopt daar.' Josh trekt verwonderd zijn wenkbrauwen omhoog en rijdt de afslag naar de pomp op. 

Als we niet veel later stilstaan, valt er een ongemakkelijke stilte. Ik adem diep in en uit en blaas mijn wangen vol met lucht. Josh pakt mijn wangen en knijpt zachtjes in waardoor de lucht met een zacht plop uit mijn mond ontsnapt.
'Waarom doe je dat nou weer?' lacht Josh.
'Doe ik wel vaker als ik zenuwachtig ben.' Een rode blos siert op dit moment waarschijnlijk mijn wangen en ik sla mijn ogen neer.
'Ik bijt niet hoor,' grapt Josh en geeft mij een vriendschappelijk stootje tegen mijn bovenarm. 'En ik zal ook niet oordelen of in lachen uitbarsten.'
Gerustgesteld door zijn warme en lieve stem, slik ik even en begin met vertellen. 'Toen je zo uitviel tegen me, rende ik naar buiten en..'
'Ja, sorry nog daarvoor. Dat was echt niet de bedoeling.'
'Ssst!'
'Sorry. Alweer.' Hij steekt plagend zijn tong uit en ik voel de spanning steeds meer verdwijnen.
'Het werd zo donker en ineens begon het te regenen. En onweren. Ik was...niet helemaal op mijn gemak.' Bang vond ik zo suf om te zeggen. Wie is er nou bang voor onweer? 'Ik rende zo snel ik kan naar de bushalte, hoewel mijn hoofd een beetje begon te draaien en bij de bushalte aangekomen was ik al helemaal doorweekt. En daar... Er stond een jongen.'
'Heeft 'ie je lastig gevallen?' In Josh zijn voorhoofd staat een diepe rimpel getekend en zijn ogen zijn groot van verbazing en licht ongeloof.
'Nee...niet echt.' Ik voel hoe mijn adem stokt, mijn hart bonst en mijn hoofd draait. 'Nee, hij...Hij kwam gewoon ineens zo dichtbij.' Mijn stem slaat over en een traan ontsnapt uit mijn oog.
'Tess, waarom zeg je dat niet meteen!'
Ik schud mijn hoofd en sla mijn handen ervoor. 'Ik schaam me zo!'
'Waarom? Je hebt toch niets gedaan? Die jongen had uit je buurt moeten blijven!'
Ik kijk hem tussen mijn tranen door aan. Ook al is het beeld wazig, ik kan duidelijk zien dat hij boos en ongerust tegelijk is - ongerboos zou mijn broertje zeggen, die de neiging heeft om verschillende woorden samen te voegen tot een totaal nieuw woord.
'Ken je die jongen?' vraagt Josh en hij pakt mijn schouders. 'Ken je hem Tess?'
'Nee, nee ik... Nooit gezien.' Ik haal mijn neus luidruchtig op. Josh ademdiep uit.
'Hoe zag hij eruit?'
'Ik weet niet..'
'Tess, dit is heel belangrijk. Probeer het je alsjeblieft te herinneren!'
Ik maak een korte beschrijving van zijn uiterlijk en flitsen van het voorval spoken door mijn hoofd. Zijn gezicht is alleen veranderd in iets monsterlijks. Hij heeft een hongerige blik in zijn ogen en ik mijn ademhaling wordt oppervlakkig. Josh trekt mij naar zich toe en ik leg mijn hoofd tegen zijn stevige borst aan. Zijn hand gaat door mijn natte klittenbos en zijn hart bonst als een dreunende bas van een bekend liedje waarvan je de naam kwijt bent. Even houd ik mijn adem in en dan begin ik zachtjes te huilen, terwijl de regen nog altijd op de ruit tikt.