Lifestyle

Exclusieve voorpublicatie van 'In haar schoenen'

Binnenkort verschijnt het boek In haar schoenen van Abby MacDonald. En wij hebben nu een exclusieve voorpublicatie van het boek. Het allereerste hoofdstuk lees je hier op Girlscene!

Waar gaat het boek over?

Tasha, een losgeslagen en goedgebekte studente uit Amerika, vlucht naar Engeland nadat het hele land op televisie heeft kunnen volgen hoe ze in het bubbelbad belandde met een bekende tv-persoonlijkheid.
Ze ruilt van universiteit en kamer met de serieuze, hard studerende Emily uit Oxford. Maar al snel ontdekt Tasha dat het leven op de Universiteit van Oxford niet te vergelijken is met haar studentenleven in Amerika…
Ondertussen probeert de schuchtere, preutse Emily in het zonnige Californië haar ex-vriendje te vergeten die haar keihard heeft gedumpt. Gehuld in hippe zomerjurkjes loopt ze allerlei feestjes af en stort zich op de knappe beach boys. Maar wat ze ook doet, ze blijft zich dat vreemde meisje met dat gekke accent uit Engeland voelen…
Wanneer Tasha en Emily zich geen raad meer weten in hun vreemde omgeving, zoeken ze elkaar op via MSN. Kunnen Tasha en Emily elkaar helpen zich aan te passen aan hun nieuwe omgeving zonder zichzelf te daarbij volledig te verliezen?

Het boek verschijnt pas 26 juni, dus dit is super nieuw én nergens anders te lezen! Het boek is straks in elke boekwinkel te koop voor € 14,95.

De voorpublicatie:

Dit is echt géén goed idee.

Mijn eerste werkcollege van het trimester is nog geen vijf minuten bezig wanneer tot me doordringt wat een verschrikkelijk slecht idee dit is. Oké, het is niet zo erg als voor het oog van de camera met Tyler Trask in een bubbelbad gaan zitten, maar dat geldt voor zo’n beetje alles. Om nóg zo’n slecht idee te vinden zou ik de wereld moeten afspeuren naar degene die heeft bedacht dat Crocs schattige schoentjes zouden zijn. Maar mijn uitwisselingstrimester doorbrengen op de universiteit van Oxford terwijl ik thuis met moeite zesjes en zeventjes haal? Dat staat wel heel hoog in de top tien van debiele acties.
‘... Inmiddels zijn jullie uiteraard allemaal bekend met de belangrijkste teksten op de leeslijst...’
Ik werp een blik op de compacte lijst van twee pagina’s die ik bij mijn informatiepakket heb gekregen en waarop titels staan alsPolitieke innovatie en conceptuele verandering, en hou mezelf voor dat ik vooral moet blijven ademen. Ik ben nog maar een dag of twee in Engeland, maar kennelijk kent de hel geen genade, ook niet voor meisjes die vreselijk last hebben van een jetlag.

‘... En we hebben een nieuw gezicht in ons midden. Natasha Collins, welkom.’
Met een ruk hef ik mijn hoofd en kijk om me heen. De anderen zitten me aan te staren. In plaats van in een overvolle, anonieme collegezaal zoals ik thuis gewend ben, zit ik in een schemerig, gelambriseerd kamertje met slechts negen andere studenten op versleten banken en gecapitonneerde fauteuils.
‘Wil je iets over jezelf vertellen?’ vraagt professor Elliot. Haar grijzende haar omlijst een gezicht dat waar ik vandaan kom, helemaal weggebotoxt zou worden. ‘Eh, ja hoor,’ begin ik. ‘Ik ben Tash... Natasha,’ verbeter ik mezelf. Ik vergeet telkens dat Tasha niet meer bestaat: de dronken, giechelende versie van mezelf die ik in dat bubbelbad heb achtergelaten. ‘Ik studeer aan de UCSB, maar ben hier een trimester op uitwisseling.’
‘ UCSB?’ herhaalt Elliot fronsend. Nee, duidelijk geen botox.
‘De Universiteit van Californië,’ leg ik aarzelend uit. ‘Ik studeer in Santa Barbara.’
‘O.’ Elliot lijkt verrast. Ze bladert door haar papieren, op zoek naar iets. ‘Meestal doen we geen uitwisselingen met die universiteit.’

‘Het was ook een beetje op het laatste moment.’ Ik begin aan de doorzichtige nagellak op mijn duim te peuteren en besteed geen aandacht aan de geamuseerde blikken die mijn medestudenten met elkaar wisselen. Ze hoeven er niet zo laatdunkend over te doen, vind ik. Ik bedoel, natuur lijk is het geen Stanford, maar de UC is toch minstens tweederangs!
‘Santa Barbara,’ herhaalt de professor. ‘En wat studeerde je daar?’ Ze kijkt me over de rand van haar bril met het dunne metalen montuurtje heen aan.
‘Ik... had nog geen specifieke richting gekozen.’ Ik voel me steeds slechter op mijn gemak. Eigenlijk is dat niet helemaal waar, maar als ik tegen de mensen van Global Exchange had gezegd wat ik studeerde, hadden ze me vast op een of andere internationale zwarte lijst geplaatst en me ongeschikt verklaard als student.
‘Aha.’ Ze zwijgt even. ‘Welkom in Oxford. Ik ben ervan overtuigd dat je politicologie erg... interessant zult vinden.’

Dan begint ze over iets anders, inleverdata voor essays, maar het vage, neerbuigende glimlachje ontgaat me niet. Ik laat me weer in mijn stoel zakken en bestudeer vanuit mijn ooghoek mijn medestudenten. Ze zijn gekleed in nette truien, overhemden en spijkerbroeken en zien eruit alsof ze zich volkomen op hun gemak voelen: ze knikken mee en wisselen vertrouwelijke glimlachjes, maar ja, dat is ook logisch. De afgelopen anderhalf jaar hebben ze, gebogen over stoffige bibliotheekboeken en tentamens, vriendschap gesloten, terwijl ik achtduizend kilometer verderop spijbelde om op het strand te liggen en te winkelen. Ik mag dan prachtig gebruind zijn en uitstekend kunnen afdingen, ik geloof niet dat ik daar hier veel aan zal hebben.
‘... En dat is het wel zo’n beetje. Vragen?’ Professor Elliot kijkt ons verwachtingsvol aan.
Ik heb er genoeg. Wat doe ik hier in godsnaam, bijvoorbeeld, en waarom ben ik niet gewoon vrijwilligerswerk gaan doen in Guatemala, zoals mijn moeder voorstelde? Ik was zo druk bezig met uit Californië wegkomen dat ik er niet echt bij heb stilgestaan wat er daarna zou gebeuren.

‘Ja, ik heb een vraag.’ De sportief ogende blondine naast me steekt haar hand een stukje omhoog. ‘Beginnen we met machtstheorieën of met basale ideologische verschillen?’
Ik knipper verbaasd met mijn ogen.
‘Dat wilde ik eigenlijk aan jullie overlaten. Zeg het maar.’
Iedereen komt met enthousiaste voorstellen, terwijl ik mijn spijkerrokje (dat zeker acht centimeter korter is dan alles wat mijn klasgenoten waarschijnlijk in de kast hebben hangen) gladstrijk en voor de achtentwintigste keer sinds ik op het vliegveld aankwam, wens dat ik het allemaal ongedaan kon maken. Niet het feit dat ik uit Amerika ben weggegaan, natuurlijk. Dat kon niet anders. Ik bedoel, Kerstmis in Los Angeles was al erg genoeg (met een moeder en stiefvader die me afwisselend doodzwegen en vermanend toespraken over hoe teleurgesteld ze in me waren), maar toen ik weer op de universiteit kwam, was het geroddel niet van de lucht.

Dus wat moest ik anders? Ik wilde niet zomaar stoppen met mijn studie. Ik mocht dan meer tijd hebben besteed aan feesten en bier zuipen dan aan studeren, en meer aandacht aan wat ik tijdens een eerste afspraakje moest aantrekken dan aan mijn tentamens, maar ik geef nooit zomaar op. Bovendien wist ik wat voor indruk het zou wekken – als ik stopte met mijn studie, zou het lijken of het inderdaad allemaal mijn schuld was. Sinds het bubbelbadschandaal liep ik met een glimlach op mijn gezicht rond en deed ik alsof ik me niets aantrok van wat er allemaal werd gezegd. Het gefluister. De leugens in de roddelbladen.
Als ik ermee kapte zou ik in feite toegeven dat ik me schaamde, en dat genoegen gunde ik al die lui absoluut niet.

Dus hoewel het trimester al was begonnen, had ik net zo lang naar dat verwaande mens van het uitwisselingsprogramma gebeld en gebedeld tot ze eindelijk bezweek en me vertelde dat er iets was misgegaan met een of ander meisje van Oxford dat nog geen plek had. En hoewel ik niet aan een gerenommeerde universiteit studeerde en niet voldeed aan het superhoge cijfergemiddelde dat ze eisten, kon ze me op uitwisseling laten gaan als we alles domweg ruilden: mijn colleges voor die van haar, mijn huisgenoot voor haar kamer in het studentenhuis. Dáár was het nieuwe trimester nog niet eens begonnen, dus ik hoefde geen dag te missen. Bijna drie hele maanden in Engeland.
Perfect.
Maar nu zit ik in een kamer vol mensen die op de middelbare school waarschijnlijk allemaal de besten van de klas zijn geweest in plaats van aanvoerster van de cheerleaders.
Ik kan het inleidende praatje nauwelijks volgen, laat staan de colleges zelf, en ik vraag me dan ook af...
Ben ik nu echt zoveel beter af?

Tegen de tijd dat het niet erg verwelkomende welkomstpraatje voorbij is, heb ik me voorgenomen om een boek over politicologie voor beginners te kopen. Volgens Elliot heb ik drie dagen om mijn eerste essay voor te bereiden, dat ik vervolgens aan mijn medestudenten moet voorlezen zodat die het kunnen bespreken. Drie dagen! Voor mijn geestesoog verschijnen beelden van National Geographic over piranha’s die een karkas schoonvreten, en ik neem me nog iets voor, namelijk uit te zoeken waar de bibliotheek is. Ik heb zo’n flauw vermoeden dat ik het hier niet zal redden met mijn gebruikelijke werkwijze: hele stukken overnemen uit Wikipedia en de vruchten plukken van Google.

Terwijl ik mijn met bont afgezette parka aantrek, loop ik achter de andere studenten aan het beijzelde plein op. De universiteit van Oxford blijkt een verzameling te zijn vanenkele tientallen verschillende colleges , verspreid over de stad. De komende tijd woon en studeer ik in Raleigh College, een groep zandstenen gebouwen aan de oever van de rivier. Gisteren ben ik over de campus gelopen, en het is hier echt schitterend. De studentenhuizen, de eetzaal en een oude kapel staan om allemaal van die kleine, geplaveide binnenplaatsjes heen, en overal zijn keurig onderhouden gazonnetjes en tuinen. Mooi is het zeker, maar met dit weer bedenk ik onwillekeurig dat het niet verkeerd zou zijn geweest als ze verwarming hadden aangelegd in die zestiende-eeuwse stenen kruisgangen. Zelfs mijn favoriete paar Uggs kan me hier niet warm houden.

En nu we het daar toch over hebben... De manier waarop mijn klasgenoten met me omgaan is zo kil dat zelfs het weer er niet tegenop kan. Flarden van hun gesprekken worden door de koude wind naar me toe gedragen, maar iedereen doet alsof ik lucht ben.
‘Kom je straks nog naar de refter?’ vraagt een van de jongens terwijl hij zijn lange donkere kuif uit zijn gezicht veegt.
‘Nee, ik moet leren voor mijn collection ,’ antwoordt een brunette die haar haren in een merkwaardige halve paardenstaart draagt. Als ze Spaans spraken zou ik er meer van snappen, dankzij vier jaar ‘Me llamo’ op de middelbare school en de verplichte tweede taal die ik op de universiteit moest kiezen. Hier begrijp ik geen woord van.
‘Ik zat te denken aan vuilniszakken voor de Bop vrijdagavond,’ voegt de atletische blondine eraan toe. En dan druk ik me tactvol uit, want met ‘atletisch’ bedoel ik eigenlijk gewoon ‘manwijf’. Kort haar, ruimvallende sportkle- ding, en als dat nog niet duidelijk genoeg is voor je: ze heeft een regenboogbadge op haar lijvige rugzak. Niet dat ik daar iets op tegen heb, hoor. Ik begrijp alleen niet waarom een voorkeur voor het eigen geslacht hand in hand moet gaan met een compleet gebrek aan modegevoel. Ik bedoel, kijk maar naar Portia de Rossi: die heeft én een bloedmooie vriendin én een abonnement op Elle . Het kan dus wel!

‘Of misschien...’ Ze duiken onder een gewelfde doorgang een ruimte binnen waar volgens mij de postkamer is gevestigd, en de oude houten deur slaat met een holle bons achter hen dicht. Ik ga niet achter hen aan. Er is een grens aan de hoeveelheid kilte die ik kan verdragen, en trouwens, ik weet wel zeker dat er voor mij geen post is. Ik mag van geluk spreken als mijn ouders me één kaartje sturen, zozeer gaan ze gebukt onder het bubbelbadschandaal – dat beweert mijn moeder tenminste. Ze zijn zo boos dat ze op dit moment waarschijnlijk mijn slaapkamer aan het inrichten zijn als speelkamer voor mijn nog ongeboren zusje.

Opeens vermoeid probeer ik te besluiten of ik instantmie wil of de rotzooi die hier in de kantine voor eten moet doorgaan. Ik duik diep weg in mijn jas en loop naar mijn studentenhuis, met samengeknepen ogen tegen de regen die nu als een koud gordijn uit de hemel valt. Ik kan het niet opbrengen om weer in mijn eentje in die enorme, met portretten behangen eetzaal te gaan zitten, en als ik instantmie eet, kan ik in elk geval mijn maatje 34 behouden. Dus trippel ik de kale stenen trap op, duw moeizaam mijn deur open en laat me op mijn bed vallen, klaar om te zwelgen in zelfmedelijden.
Natte schoenen uit, joggingbroek aan en Joni Mitchell zachtjes op. Zo, ik ben er klaar voor. Het zwelgen kan beginnen.

Maar net als ik op het punt sta onder de dekens weg te kruipen en te wensen dat ik aan de andere kant van de oceaan was, kijk ik beter om me heen. In Santa Barbara deel ik een flat met Morgan – een piepklein flatje weliswaar, maar in een leuk gebouw met allemaal andere studenten, op een steenworp afstand van het strand. Hier moet ik het doen met een eenpersoonskamertje; nee, wacht, gevangeniscel is een beter woord. Vale grijze vloerbedekking, een keihard eenpersoonsbed... Ik sta op en neem het allemaal langzaam in me op.
De neutraal geverfde muren zijn helemaal leeg, afgezien van een kleurgecodeerd studeerschema en een leeslijst, die zo volmaakt recht op het prikbord zijn opgehangen dat ze er een liniaal bij moet hebben gebruikt. Op het bureau ligt een velletje papier met twee pennen kaarsrecht ernaast.
En het nachtkastje – inclusief het alomtegenwoordige ‘rommellaatje’ – bevat niets dan een potje vitaminepillen, een pakje Kleenexzakdoekjes en een zakwoordenboekje. Langzaam laat ik me weer op het bed zakken, vol ongeloof deze keer. Ik denk aan mijn eigen flatje, boordevol rommel, kleren en lawaai, en kijk dan nogmaals naar dit toonbeeld van orde en netheid.

Emily Lewis. Wat ben jij voor een raar mens?

LOVE dit artikel
0 meiden hebben deze blog geloved