Lifestyle

Dagboek van een kampeerkneus - deel 3

Speciaal voor Girlscene schreef chicklitschrijfster Lisette Jonkman het zesdelige verhaal Dagboek van een kampeerkneus. Lees hier deel 3!

kampeerkneus3

Ik moet toegeven dat ik van tevoren wat sceptisch was (oké, ik stond me met mijn armen over elkaar en een donderwolk boven mijn hoofd af te vragen wanneer we weer naar de tent zouden gaan). Maar dit is echt leuk! Ik ben dol op de Bloody Beetroots. De laatste keer dat ik zo vol overgave gedanst heb was toen ik zestien was en voor het eerst naar de disco ging.

‘Waar gaan we hierna heen?’ vraag ik met enthousiast blozende wangen aan Alabama.

Die haalt grijnzend haar schouders op. ‘Vraag maar aan Benjamin, die heeft het programma bij zich.’

Nog steeds in een blije dansroes stoot ik hem aan.

Hij draait zich naar me om, weg van Alette. ‘Hé Bootje,’ zegt hij met een brede glimlach. ‘Hoe bevalt je festival-ontmaagding?’

‘Goed,’ antwoord ik naar waarheid. Ik voel me een beetje ongemakkelijk door zijn woordkeuze. Door de dansende mensenmassa zijn we gedwongen heel dicht tegen elkaar aan te staan. Er kruipt een blos omhoog over mijn wangen.

‘Gelukkig! Ik was even bang dat je na Dag 1 naar huis zou gaan,’ grinnikt Benjamin. Zijn ene mondhoek krult geamuseerd omhoog. ‘Dat zou echt jammer zijn geweest.’

Ik voel hoe mijn hart een hoopvol sprongetje maakt. Zei hij echt... Bedoelt hij...

‘AU!’ Een lange jongen stoot tijdens een spastische dansbeweging zijn elleboog achteruit en raakt daarbij vol mijn kaak.

Mijn hoofd knakt onzacht opzij en er ontploffen sterretjes voor mijn ogen.

Twee sterke handen pakken voorzichtig maar vastberaden mijn bovenarmen vast en manoeuvreren me veilig tussen de menigte door, naar buiten.

Duizelig zak ik neer op het gras.

‘Gaat het?’ vraagt een mannenstem. Als ik mijn ogen opendoe, kijk ik recht in Benjamins gezicht. Zijn mond is een bezorgde streep en zijn blauwe ogen nemen me onderzoekend op.

Ik voel aan mijn kaak, die aanvoelt alsof iemand er langzaam maar zeker een ballon in opblaast. Au.

‘Ik leef nog,’ zeg ik dapper, maar het klinkt een beetje als ‘ik weef nowg’. Benjamin drukt voorzichtig op mijn wang en direct schiet er een helse pijn door mijn hele gezicht. Kermend duik ik opzij.

Hij trekt snel zijn hand terug. ‘Sorry, ik wilde je geen pijn doen.’

‘Maakt niet uit.’ Ik probeer naar hem te glimlachen, maar de ene kant van mijn gezicht werkt niet helemaal mee.

Benjamin kijkt een beetje ongemakkelijk om zich heen en zegt dan: ‘Weetje, Bo...’ Hij fronst zijn wenkbrauwen, alsof hij nadenkt over hoe hij dit moet zeggen. Mijn hart begint ineens twaalf keer zo snel te bonzen.

‘Ja?’ fluister ik schor. Mijn hele lijf tintelt. Zou hij me eerst kussen en me daarna de liefde verklaren, of andersom? Ik kauw verlangend op mijn onderlip, kijk naar zijn scherpe kaaklijn en voel de aangename rillingen over mijn lichaam kruipen.

‘Ik denk eigenlijk al een tijdje na over iets,’ vervolgt hij. Hij kijkt me serieus aan met die zwembadblauwe ogen. Mijn hart smelt als een paasei in de zon. ‘Iemand vertelde me dat jij, eh...’ Hij maakt een roterende beweging met zijn handen, alsof hij daardoor de woorden die hij zoekt sneller naar boven haalt. ‘Dat je op me... valt.’

Hij kijkt me vragend aan en ik staar met open mond terug, wat er extra belachelijk uit moet zien met die blauwe bult op mijn kaak. Fantaseren is één ding, maar om hem vervolgens daadwerkelijk de woorden uit te horen spreken – kom op, dat is maf. En nu ik erover nadenk, klonk hij niet superenthousiast of straalverliefd, zoals in mijn dromen wel het geval is. Ben ik bezig een blauwtje te lopen?

Voor ik het goed en wel besef, flap ik eruit: ‘Dat ik op jou val? Van wie heb je dat? Dat is belachelijk.’

Oeps, dat kwam er botter uit dan ik het bedoelde.

Benjamin kijkt een beetje gekwetst. ‘Dus het is niet waar?’ vraagt hij. Ik kan de toon in zijn stem niet thuisbrengen.

‘Nou, eigenlijk,’ begin ik, maar voor ik mijn zin af kan maken, slaat iemand uit het niets twee slanke handen met perfect parelmoerkleurige nagels voor zijn ogen.

‘Wie ben ik?’ vraagt Alette met een vervormde stem. Haar bruine ogen fonkelen en er gloeit een blos op haar wangen.

Benjamins mond vertrekt zich in een scheef glimlachje. ‘Ali Baba? Ben jij dat?’

Koosnaampjes? Echt waar?

‘Ja!’ kraait ze triomfantelijk en springt in zijn gezichtsveld. ‘Wat was dat slotnummer ge-wel-dig, hè?’

‘Ik heb het gemist,’ zegt Benjamin met een spijtige toon in zijn stem. ‘Bo kreeg een stomp op haar gezicht.’

Alette draait zich met een bezorgd gezicht naar me om. ‘Ach, arm ding! Doet het zeer? Het ziet er inderdaad lelijk uit.’ Ze steekt haar hand uit naar mijn wang, maar ik sta snel op en doe een stap achteruit.

‘Het gaat wel,’ zeg ik waardig.

‘Weet je het zeker?’ vraagt Alette. ‘Of zal ik even ijsblokjes voor je halen?’

‘Nee hoor, ik heb er al helemaal geen last meer van.’ Ik glimlach grootmoedig. Au, dat doet zeer. IJsblokjes klinken eigenlijk als een prima idee.

Benjamin kijkt me verbaasd aan. ‘Echt?’

‘Geen centje pijn,’ verzeker ik hem.

Ik geef toe: dat was niet heel handig. Dat pepert Alabama me momenteel ook in.

‘Weet je wel wat je laat lopen?’ vraagt ze met grote ogen. ‘Je was weerloos!’

We zitten op de camping, na een avond vol muziek van bands waarvan ik de namen niet heb onthouden. Ik kan me trouwens ook niets van de muziek herinneren.

‘Ik hoef geen medelijden,’ mompel ik.

‘Nee, je begrijpt het niet,’ sist ze me toe. Ze werpt een blik opzij, om te zien of er niemand meeluistert. Omdat ik Benjamin en Alette heb wijsgemaakt dat het helemaal geen pijn doet, moet ik zachtjes en op een afstand tegen Alabama klagen dat mijn wang bijna in tweeën splijt.

‘Als jongens voor je kunnen zorgen, voelen ze zich het alfa-mannetje,’ legt Alabama uit. ‘Je had dit helemaal uit moeten melken!’

‘Hoe weet jij dat?’ vraag ik verbaasd.

Alabama’s ogen glimmen ondeugend. ‘Dombo, ik ben verticaal gehandicapt. Ik kan niet eens bij het bovenste schap in de supermarkt, dat vinden jongens geweldig! Ik geef ze de kans om dingen voor mij te doen, zodat ze zich goed kunnen voelen over zichzelf.’

Ik kijk blijkbaar erg sceptisch, want Alabama doet haar gouden ring af, mikt hem in een putje en roept: ‘Thomas, wil jij me helpen?’

‘Wat is er?’ vraagt Thomas, die braaf onze kant op sjokt met zijn lange lijf.

Alabama kijkt een beetje schuldig en zegt: ‘Mijn ring is in die put gevallen en nu kan ik er niet bij.’

‘Met die korte pootjes van jou niet, nee,’ lacht Thomas en geeft haar een por in haar zij.

‘Ik heb geen korte pootjes,’ protesteert ze.

‘Welwaar. Kijk,’ zegt Thomas, en hij vist zonder moeite de ring uit het putje. ‘Makkie.’

Alabama glimlacht dankbaar. ‘Lang leve jouw apenarmen.’

‘Geen dank,’ grinnikt Thomas. Als hij naar de tent loopt om een biertje te pakken, steekt hij zijn borst iets trotser naar voren dan anders.

Ik kijk Alabama bewonderend aan. ‘Wauw.’

Bij de tent staat Alette op. ‘Ik ga mijn vriendinnen maar eens opzoeken.’

‘Zouden ze je nog wel herkennen?’ vraagt Thomas met een knipoog.

Alette lacht tinkelend en gooit haar shampooreclame-haar over haar schouder.

‘Kun je de weg wel vinden in het donker?’ vraagt Benjamin.

Dit is het punt waarop ik zou hebben gezegd: ‘Natuurlijk! Ik red me wel,’ terwijl ik al mijn hele leven bang ben in het donker en daarbij het oriëntatiegevoel van een rauwe gehaktbal heb.

Alette zegt echter op een onzeker toontje: ‘Ik weet het niet... Vast wel.’

‘Ik kan wel even meelopen,’ biedt Benjamin aan.

‘Ik zei het toch,’ fluistert Alabama in mijn oor. ‘Weerloos. Onweerstaanbaar.’

Mistroostig kijk ik toe hoe Alette het aanbod met een charmant lachje accepteert en samen met Benjamin wegloopt.

Ik zie nog net hoe ze haar vingers in de zijne vlecht voordat ze in het donker verdwijnen.

Volgende week deel 4 van Dagboek van een kampeerkneus!

Lees hier deel 1

Lees hier deel 2

LOVE dit artikel
0 meiden hebben deze blog geloved